Eenmaal daags Janneke (jannekeleber) wrote,
Eenmaal daags Janneke
jannekeleber

DAG PIM

Het was op dinsdagochtend 5 maart.
U weet wel, die mooie dag waarop de lente begon.
Of... leek te beginnen.

Ik reed met de auto naar de hei bij Huizen. Al bij het naderen daarvan, zag ik Pims auto staan op de parkeerplaats. Ik wist: ze zit herinneringen op te halen aan de tijd dat ze hier vlakbij woonde, halverwege de oorlog. Er was veel spanning in huis, want met een joodse moeder, was er de continue dreiging om opgehaald te worden door de Duitsers. Ik hoor het Pim nog zeggen van eerdere keren dat we elkaar hier ontmoetten:
“Hier liggen heel veel tranen van mij.”

Ik parkeer mijn auto naast die van Pim. Ik heb zin om haar te zien, want we houden allebei van de lente en vandaag is het dus zo ver. We gaan het samen vieren. Ik stap in bij haar en we omhelzen elkaar. De vertrouwde geur van haar parfum.
“Wat fijn je weer te zien!”, zegt Pim.
“En wat een heerlijke dag. Het is weer zo ver!”, jubel ik.
“Ja...”, zegt Pim.
Het is een ja met een voorbehoud.
Die snap ik niet.

We praten een tijdje en ik vraag wat ik voor haar kan doen vandaag.
“Zou jij eens kunnen kijken of je contact kunt leggen met mijn grootmoeder? Het gaat om de moeder van mijn moeder. Ik heb haar nooit gekend, maar ik weet wel het een en ander.”
Ik vraag me af waarom nu dit contact.
Ik besluit dat dat straks wel zal blijken.
[Zalige onwetenheid.
Nog een minuutje of 10.]

Ik meen de grootmoeder snel te voelen, wat me verbaast. Ze laat me het Gooi voelen, haar gehechtheid daaraan. Ook aan de status ervan. Daarin was ze heel anders dan Pim.
“Inderdaad”, zegt Pim. “In dat opzicht lijken we niet op elkaar...”
Ik voel ook de moeite die grootmoeder met haar dochter had – Pims moeder dus. Omdat dat zo’n ander type was. Frivool. Buiten de lijntjes denkend.
“Dat vond mijn grootmoeder inderdaad helemaal niks.”
Ik zie ook haar liefde voor haar man, die jong stierf. En daarna... werd het leven heel grauw.
“Ja...’, zegt Pim.
“Nou”, zeg ik. “En toen besloot ze er maar achteraan te gaan.”
Ik schrik er zelf van, want wat zeg ik daar nou?
Het is even stil.
“Dus dat zie je”, zegt Pim.
Op dat punt zie ik de vrouw liggen, op bed, in een donkerblauwe jurk. Naast haar een leeg pillenbakje.
Het is weer even stil.
“Ja, ik zie het”, zeg ik voorzichtig.
“Wat ik wil weten”, zegt Pim, “is het in 1 keer gelukt?”
“Ik geloof het wel”, zeg ik. “Hoezo?”
Weer stilte.
Maar een blik die boekdelen spreekt.
“Nee toch?”, zeg ik dan.
Pim knikt.
“Heb je iets?”
Pim knikt weer.
“Hetzelfde middel als zij heeft genomen. Bijna hetzelfde.”
Ik sla mijn hand voor mijn mond.
“Wie... wat... waarvandaan?”
“Iemand heeft iets voor me meegenomen. Uit Azië. Met veel moeite verzameld bij verschillende apotheken.”

Ik weet hoe lang ze al bezig is met het vinden van een middel. En ook hoe ze bedrogen is tijdens die zoektocht. 500 dollar heeft ze eens betaald voor iets dat via internet werd geleverd. “Gestampte muisjes uit China”, vertelde ze me toen. Het leek een onmogelijke missie omdat je in Nederland gewoon niks kunt krijgen. Dat is onmogelijke gemaakt door de ‘je-mag-niet-dood-maffia’, zoals we het samen wel eens grappend hebben genoemd.

“Wanneer?”, vraag ik.
Ik durf dat wel te vragen omdat ik weet dat het haar vooral gaat om het in bezit hebben van het middel. Om het weten dat het zou kunnen, als ze echt niet meer wil.
Pim aarzelt.
“Wanneer?”, vraag ik weer.
“Dat wilde ik je eigenlijk niet zeggen...”, zegt Pim.
“Wanneer?”, vraag ik nu iets dwingender.
Ik moet het weten.
“Over 4 weken precies”, zegt Pim. “In elk geval voor 6 april, want dan zou ik 83 worden en dat wil ik niet meer.”
“Maar... de lente...”, werp ik tegen.
“Daarom juist”, zegt Pim. “Dan blijf ik weer voor de lente en dan weer voor de zomer, terwijl... ik wil echt niet meer. De nachten, de pijn. Altijd maar pijn. En ik nader het punt dat ze moeten gaan wassen en ik wil niet dat ze me gaan wassen. Het komt door het onderduiken. Niet weer die afhankelijkheid. Ik kan dat niet meer.”
Stilte.
“Kijk!”, roep Pim ineens uit. Ze wijst door de vooruit naar hoog in de blauwe lucht.
Daar cirkelt een roofvogel.
“Waar er 1 is, is er ook meestal ook een 2e”, zegt Pim.
We kijken samen.
Hoewel, ik kijk niet echt.
Ik voel een stekende pijn in mijn linker hand.
Het zijn mijn nagels die hard in mijn handpalm drukken.
Om te voorkomen dat ik ga doen wat ik nu eigenlijk het liefste wil.
Heel hard huilen.

(morgen meer.)
Subscribe
  • Post a new comment

    Error

    default userpic

    Your IP address will be recorded 

    When you submit the form an invisible reCAPTCHA check will be performed.
    You must follow the Privacy Policy and Google Terms of use.
  • 2 comments