Eenmaal daags Janneke (jannekeleber) wrote,
Eenmaal daags Janneke
jannekeleber

GOUD

Het is zondagochtend 11.00 uur.
Ik sta op de parkeerplaats van begraafplaats en crematorium Westerveld.
Wat heb ik toch een raar beroep.

Daar komt Pim aangereden. Ik stap uit mijn eigen auto en ik stap in bij haar. We omhelzen elkaar. Altijd zo fijn om elkaar weer te zien.

“Nou, daar gaan we”, zegt Pim. Ze haalt een pasje tevoorschijn dat haar het recht geeft om – alleen op zondag - met de auto de begraafplaats op te rijden. Gelukkig maar, want Pim (81) is heel slecht ter been en anders zou ze niet meer naar het familiegraf kunnen waar haar joodse moeder, haar geliefde man en al haar drie kinderen in liggen. Hoewel ze helemaal in Breda woont inmiddels, komt ze hier bijna elke week.

Langzaam rijden we over het groene, heuvelachtige terrein. Het weggetje kronkelt om oude bomen en voert langs grote en kleine grafstenen en door prachtige urnentuinen.
“Ja”, zucht Pim. “Hier hebben we er heel wat weggebracht. Daar liggen ook nog wat vrienden van D. die aan aids gestorven zijn.” Ze wijst naar een heuveltje met potten. Ze zijn begroeid met mos.
“En daar wilde D. dus per se gecremeerd worden”, zegt Pim als we voor het oude crematorium stoppen. “Mooi he, dat Art Deco”, voegt ze eraan toe.

Dat is Pim.
Daarom leeft Pim ook nog.
Omdat ze altijd weer iets moois ziet.

Ze parkeert de auto en we stappen uit. Achter haar rollator gaat Pim me voor over het smalle weggetje naar het graf. Ik ken Pim al jaren. Ik maak ook al jaren regelmatig contact voor de dierbaren die hier samen liggen. Twee ervan, haar man Joop en zoon Jaap, heb ik ook nog in het aardse ontmoet. Maar nu zie ik voor het eerst het graf waar Pim vaak over heeft verteld. Het is een grote, marmeren steen met hun namen erop, gelegen onder een oude, knoestige boom. Op de steen liggen de lelies die ze er vorige week op heeft gelegd.
“Wel fijn dat jij mee bent, dan kun jij even het onkruid weghalen. En hier heb je een bezempje om de steen mee schoon te vegen.”
Ik wied en ik veeg en ik herschik de lelies om de steen heen.
“Zo”, zegt Pim tevreden.
We kijken even in stilte.
“Ja”, zegt Pim dan. “Toen we wisten dat mammie in Sobibor was overleden, hebben we deze steen gekocht. Ik dacht: we passen er allemaal wel op. Maar zoals je ziet zijn hebben Joop en Jaap te grote letters uitgekozen en nou kan ik er niet meer bij.”
We bescheuren het met z’n tweetjes. Hoe ze het ook weer zegt!
Dan begint het te motregenen en gaan we terug naar de auto.

“Nou, ga je gang”, zegt Pim als we weer zitten.
En ik begin maar gewoon met wat er binnenkomt. Haar man Joop vertelt dat hij weet dat ze in de tuin met bloemen bezig is geweest. En dat ze, na een hele zware winter, toch weer wat zin krijgt in het leven. Zoon Jaap laat weten dat hij weet dat ze een kunstwerk van hem heeft teruggekregen (via een schouwburg waar dit werk nog hing.) En dat hij nu ook weer schildert, maar dan met andere kleuren en andere thema’s. En zoon D. komt met wel iets heel speciaals.
“Dit is raar”, zeg ik. “Ik zie D. en je moeder samen zitten daar, op dat muurtje. Ze halen hele flauwe grappen uit met mensen die langslopen.”
Pim giert het uit.
“Dat is typisch mammie en typisch D. Ze hebben elkaar hier op aarde nooit gekend natuurlijk, maar ze hadden precies dezelfde humor. Flauwe grappen uithalen. En dat doen ze nu dus samen? Wat enig!”

Na twee uur rijden we de begraafplaats weer af en stoppen we voor het petit restaurant van Westerveld. Daar bestellen we soep en broodjes.
“Hier zat ik ook altijd met Joop als we bij het graf waren geweest”, zegt Pim, terwijl ze nog een broodje roomboter smeert. Broodjes roomboter zijn ook iets wat Pim onder ons houdt.
“Ik begrijp het”, zeg ik. “Deze plek is toch een soort van buffer tussen de begraafplaats en de buitenwereld.”
Ik vertel haar dat ik toch weer last heb gehad van een geloofscrisis omdat ik niet tevreden was over hoe het ging.
Pim schudt verbijsterd haar hoofd.
“Als je eens wist...”, zegt ze. “Wat dit weer voor me betekent. Dat zou je nou toch eens moeten weten.”
“Het gaat ook alweer wat beter”, zeg ik beschaamd. “En dit helpt ook wel weer.”
“Mooi zo”, zegt Pim. “Je bent namelijk goud.”
Dan drukt ze me teveel geld in mijn hand.
Het is altijd welkom, maar ook wat vreemd.
Het goud-gevoel is namelijk geheel wederzijds.

Op de parkeerplaats nemen we afscheid en scheiden onze wegen.
Ik ben benieuwd op wat voor plek die de volgende keer weer samenkomen.
Subscribe
  • Post a new comment

    Error

    default userpic

    Your IP address will be recorded 

    When you submit the form an invisible reCAPTCHA check will be performed.
    You must follow the Privacy Policy and Google Terms of use.
  • 0 comments