Eenmaal daags Janneke (jannekeleber) wrote,
Eenmaal daags Janneke
jannekeleber

OPTREKKENDE KOU

“Nou pap, geniet maar mee als we straks in de achtbaan gaan”, zei ik maandag nog toen we het pretpark binnenkwamen.
We hadden de entreekaartjes van hem gehad.
Hij had ze gewonnen, bij een loterij.

Het was bedoeld als een dagje onstpanning, tussen alle zorgen door. Maar gek genoeg, werkte het niet zo. Door de grote drukte en de overkill aan geluid, sloeg het patatje dicht. Ik voelde het aan hoe hij kneep in mijn hand en voor zich uitstaarde.
“Waar wil je in?”, vroeg ik.
“Nergens in”, zei het patatje. “Ik wil zitten waar het rustig is.”
Zo'n plek was moeilijk te vinden.
Ook de pipo voelde zich niet goed. Dat opgeteld bij A.’s hekel aan pretparkpubliek en mijn gedachten die steeds afdwaalden naar mijn vader en we besloten na een tijdje om maar weer naar huis te gaan.

In de auto werd ik gebeld.
“Met Annie spreek je, van het hospice. Kun jij snel komen? Het gaat niet goed met je vader.”
Ik keek op de borden langs de weg.
Eembrugge.
De plaats waar de boot van mijn vader vroeger lag.
“We zijn er met een kwartier”, zei ik.

Heel kort overlegde ik met A.
“Zet je me af, of gaan jullie mee naar binnen?”
“We gaan heel kort mee naar binnen”, zei A. “Om afscheid te nemen. Ik denk dat het nu gaat gebeuren.”
“Nee toch?”, zei ik. “Neeeee. Dat zei ze helemaal niet. Ze zei dat het niet goed ging...”
Ik dacht aan het laatste bezoek aan hem, de dag ervoor. Hij zat in zijn stoel, naast het bed, het aanwezige bezoek te entertainen. Helemaal in zijn element.
'Nee', zei ik.

Maar A. wist het zeker. En hij bereidde de pipo en het patatje kort voor.
“We gaan naar opa. En jullie zien opa voor de laatste keer in leven. We blijven maar heel even, alleen om even een kus te geven en ‘dag opa’ te zeggen. Of iets anders, als je dat wilt.”
En ik maar denken: ‘Nee...’

We komen aan op zijn kamer. Die prachtige, lichtgele kamer, met de openstaande deuren en het uitzicht op de tuin. Mijn vader draait zijn hoofd nog wel naar ons toe. Ik zie angst in zijn ogen. Verpleegkundige Annie lijkt opgelucht.
“Gelukkig, jullie zijn er. Hij is de hele dag goed geweest, maar het afgelopen uur is hij ineens zo benauwd geworden. Hij geeft veel over en praten gaat nauwelijks meer.”
“Jezus”, zeg ik.
Ik loop naar mijn vader. Zijn gezicht is grauw.
"Hai pap", zeg ik.
"Ja", zegt mijn vader met moeite.
Hij haalt zwaar adem, maar lijkt toch nauwelijks lucht binnen te krijgen.
“Zijn je voeten nog zo koud, Joop?”, zegt Annie.
Mijn vader knikt. Annie tilt de deken op. Er ligt al een warme kruik tegen zijn voeten. Annie voelt aan zijn voeten en enkels en zegt half in zichzelf: ‘Het trekt zelfs al op...’

Ooit geleerd op school:
Optrekkende kou = het begin van sterven.
"Jezus", zeg ik zachtjes en ik pak mijn vaders hand.
Subscribe
  • Post a new comment

    Error

    default userpic

    Your IP address will be recorded 

    When you submit the form an invisible reCAPTCHA check will be performed.
    You must follow the Privacy Policy and Google Terms of use.
  • 0 comments