March 20th, 2008

WE LIGGEN IN HAMBURG

“Mag ik even mijn mail checken?”, vraag ik aan A., die achter de computer zit.
“Uh...”, zegt A. afwezig.
“Wat ben je aan het doen?”, vraag ik. Want ik begrijp niet wat er allemaal op het scherm gebeurt.
“Wacht even”, zegt A. Hij typt wat dingen in. “Even... zo.... koers wijzigen... zo genoeg?... daar kijken...”

Ik ken deze situatie. Dit is A. in een simulator, een vaar-simulator in dit geval. En als A. eenmaal in een simulator zit, is hij niet meer aanspreekbaar. Ik herinner me de periode dat hij een F16-vliegsimulatieprogramma op de computer had. Op een avond ging de telefoon.
“Neem jij even op!”, riep hij naar mij.
“Waarom?”, vroeg ik. “Je zit ernaast!”
“Omdat ik... even... heel ingewikkeld dit...”, momelde A.
Ik nam de telefoon op. Het was voor A.
“Hier, voor jou”, zei ik.
A. schudde zijn hoofd.
“Kan niet!”, zei hij beslist. “Ik ben aan het tanken. In de lucht. Dit is echt heel moeilijk.”

Ik weet niet meer precies wat ik toen gezegd heb tegen de persoon aan de andere kant van de lijn.

En nu is hij aan het aanleggen in de haven van Hamburg. Met een containerschip van 300 meter. Het ziet er ingewikkeld uit en dat is het ook. Zonet had hij bijna een collega geramd aan stuurboord! En nu blijkt zijn eigen schip helemaal scheef tegen de kade te liggen. K**! Het is echt even stress. A. rent van links naar rechts over de brug. Stuurt bij, geeft commando’s, zweet peentjes. En dan gaat de motor eindelijk uit.
“Zo”, puft A. “We liggen. Wat wilde je ook alweer?”